Information about the word zigzaggen (Dutch → Esperanto: zigzagi)

Synonyms: zigzag gaan, zigzagsgewijs lopen

Part of speechverb
Pronunciation/ˈzɪxsɑɣə(n)/
Hyphenationzig·zag·gen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) zigzag(ik) zigzagde
(jij) zigzagt(jij) zigzagde
(hij) zigzagt(hij) zigzagde
(wij) zigzaggen(wij) zigzagden
(jullie) zigzaggen(jullie) zigzagden
(gij) zigzagt(gij) zigzagdet
(zij) zigzaggen(zij) zigzagden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) zigzagge(dat ik) zigzagde
(dat jij) zigzagge(dat jij) zigzagde
(dat hij) zigzagge(dat hij) zigzagde
(dat wij) zigzaggen(dat wij) zigzagden
(dat jullie) zigzaggen(dat jullie) zigzagden
(dat gij) zigzagget(dat gij) zigzagdet
(dat zij) zigzaggen(dat zij) zigzagden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
zigzagzigzagt
Participles
Present participlePast participle
zigzaggend, zigzaggende(hebben) gezigzagd

Usage samples

De ski’s werden ondergebonden en we zigzagden de helling op.
De formatie verminderde haar snelheid tot 14 knopen een zigzagde niet langer.
Puc zigzagde door het woud, in het halfduister moeizaam zijn weg zoekend.

Translations

Englishzigzag
Esperantozigzagi
Germanim Zickzack gehen; im Zickzack verlaufen; im Zickzack laufen; im Zickzack fahren; hin und her taumeln; zickzackförmig verlaufen
Portugueseziguezaguear
Saterland Frisianin Siksak gunge
Turkishzigzag