Information about the word smoren (Dutch → Esperanto: sufoki)

Synonyms: neerslaan, onderdrúkken, verkroppen, verstikken

Part of speechverb
Pronunciation/ˈsmoːrə(n)/
Hyphenationsmo·ren

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) smoor(ik) smoorde
(jij) smoort(jij) smoorde
(hij) smoort(hij) smoorde
(wij) smoren(wij) smoorden
(jullie) smoren(jullie) smoorden
(gij) smoort(gij) smoordet
(zij) smoren(zij) smoorden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) smore(dat ik) smoorde
(dat jij) smore(dat jij) smoorde
(dat hij) smore(dat hij) smoorde
(dat wij) smoren(dat wij) smoorden
(dat jullie) smoren(dat jullie) smoorden
(dat gij) smoret(dat gij) smoordet
(dat zij) smoren(dat zij) smoorden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
smoorsmoort
Participles
Present participlePast participle
smorend, smorende(hebben) gesmoord

Usage samples

Jij probeerde bij Kort je eigen leger te vernietigen door te vluchten toen het gevecht begon en nu heb je je meester gemaakt van de troon nadat je ongetwijfeld het einde van onze arme vader hebt verhaast door hem te smoren met een kussen!

Translations

Catalanofegar; sufocar
Englishchoke; quell; suffocate; suppress; stifle; smother
Esperantosufoki
Faeroesekøva; kvala
Finnishtukehduttaa
Frenchsuffoquer; étouffer
Germanerdrosseln; ersticken; erwürgen
Italiansoffocare
Low Germanunderdrükken
Portugueseabafar; asfixiar; esganar; estrangular; sufocar
Saterland Frisiandrusselje; smoorje; stikke; fersmoorje; oudrüüselje
Spanishahogar; sofocar