Synonyms: duister, duisternis, obscuriteit, donkerte, duisterheid, deemsterheid, deemster
| Part of speech | common noun |
|---|
| Pronunciation | /ˈdɔŋkər/ |
|---|
| Hyphenation | don·ker |
|---|
| Gender | neuter |
|---|
Het is het beste dat wij in het donker verdergaan.
Wij lagen in het donker en moesten ons nu in veiligheid stellen.
Hij verdween in het donker en heer Bommel keek verbaasd naar het doosje dat hij gekregen had.
Anneke, die beter kon zien in het donker, had haar man bij een hand gepakt en trok hem mee vooruit.
Betekent dat dat ik voor donker in Inverard ben?
Adler verdween naar rechts, het nachtelijk donker in.