Synonyms: afleiden, besluiten, een gevolgtrekking maken, opmaken, tot de slotsom komen
| Part of speech | verb |
|---|
| Pronunciation | /kɔŋklyˈdeːrə(n)/ |
|---|
| Hyphenation | con·clu·de·ren |
|---|
Conjugation
| Indicative mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (ik) concludeer | (ik) concludeerde |
| (jij) concludeert | (jij) concludeerde |
| (hij) concludeert | (hij) concludeerde |
| (wij) concluderen | (wij) concludeerden |
| (jullie) concluderen | (jullie) concludeerden |
| (gij) concludeert | (gij) concludeerdet |
| (zij) concluderen | (zij) concludeerden |
| Subjunctive mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (dat ik) concludere | (dat ik) concludeerde |
| (dat jij) concludere | (dat jij) concludeerde |
| (dat hij) concludere | (dat hij) concludeerde |
| (dat wij) concluderen | (dat wij) concludeerden |
| (dat jullie) concluderen | (dat jullie) concludeerden |
| (dat gij) concluderet | (dat gij) concludeerdet |
| (dat zij) concluderen | (dat zij) concludeerden |
| Participles |
|---|
| Present participle | Past participle |
|---|
| concluderend, concluderende | (hebben) geconcludeerd |
Ze verwees op zijn sterfdag naar het rapport waarin vijf Europese landen, waaronder Nederland, concluderen dat de Russische oppositieleider twee jaar geleden is vergiftigd.
Daaruit concludeerde hij terecht dat de Aarde geen volmaakte bol kon zijn.
Alles, concludeerde Sam Peebles later, was de schuld van die verdomde acrobaat.