Synonyms: aanbreken, aanvangen, beginnen, een aanvang nemen, inzetten, intreden, ertoe overgaan, van start gaan
Conjugation
| Indicative mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (hij) gaat in | (hij) ging in |
| (zij) gaan in | (zij) gingen in |
| Subjunctive mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (dat hij) inga | (dat hij) inginge |
| (dat zij) ingaan | (dat zij) ingingen |
| Participles |
|---|
| Present participle | Past participle |
|---|
| ingaand, ingaande | (zijn) ingegaan |
Dat was niet beleefd en ook niet helemaal in overeenstemming met de waarheid, want de verkoop van Balingshoek ging pas om middernacht in.
De staking moet zaterdag om 21:00 uur ingaan.