Synonyms: afrijden, uitlopen, wegrijden, wegvaren
| Part of speech | verb |
|---|
| Pronunciation | /ˈœʏ̯tfaːrə(n)/ |
|---|
| Hyphenation | uit·va·ren |
|---|
Conjugation
| Indicative mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (ik) vaar uit | (ik) voer uit |
| (jij) vaart uit | (jij) voer uit |
| (hij) vaart uit | (hij) voer uit |
| (wij) varen uit | (wij) voeren uit |
| (jullie) varen uit | (jullie) voeren uit |
| (gij) vaart uit | (gij) voert uit |
| (zij) varen uit | (zij) voeren uit |
| Subjunctive mood |
|---|
| Present tense | Past tense |
|---|
| (dat ik) uitvare | (dat ik) uitvoere |
| (dat jij) uitvare | (dat jij) uitvoere |
| (dat hij) uitvare | (dat hij) uitvoere |
| (dat wij) uitvaren | (dat wij) uitvoeren |
| (dat jullie) uitvaren | (dat jullie) uitvoeren |
| (dat gij) uitvaret | (dat gij) uitvoeret |
| (dat zij) uitvaren | (dat zij) uitvoeren |
| Imperative mood |
|---|
| Singular/Plural | Plural |
|---|
| vaar uit | vaart uit |
| Participles |
|---|
| Present participle | Past participle |
|---|
| uitvarend, uitvarende | (zijn) uitgevaren |
Vandaar zouden zij begin mei uitvaren en de geplande invasie van Port Moresby, aan de zuidoostkust van Nieuw‐Guinea steunen.
Morgen vaar ik uit en niemand kan me daar nog van afbrengen.
Hij vaart morgenvroeg uit.
Vroeger, vóór de draadloze telegrafie bestond, was het niet zo vreemd dat een schip uitvoer en spoorloos verdween, zonder dat er ooit meer iets van vernomen werd.