Information about the word wagen (Dutch → Esperanto: riski)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈʋaɣə(n)/
Hyphenationwa·gen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) waag(ik) waagde
(jij) waagt(jij) waagde
(hij) waagt(hij) waagde
(wij) wagen(wij) waagden
(jullie) wagen(jullie) waagden
(gij) waagt(gij) waagdet
(zij) wagen(zij) waagden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) wage(dat ik) waagde
(dat jij) wage(dat jij) waagde
(dat hij) wage(dat hij) waagde
(dat wij) wagen(dat wij) waagden
(dat jullie) wagen(dat jullie) waagden
(dat gij) waget(dat gij) waagdet
(dat zij) wagen(dat zij) waagden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
waagwaagt
Participles
Present participlePast participle
wagend, wagende(hebben) gewaagd

Usage samples

Ik waag te zeggen dat ons gesprek laatst met directieleden van ABP en APG zeker ook een effect heeft gehad.

Translations

Esperantoriski