Information about the word vastgrijpen (Dutch → Esperanto: kroĉi)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈvastxrɛɪ̯pə(n)/
Hyphenationvast·grij·pen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) grijp vast(ik) greep vast
(jij) grijpt vast(jij) greep vast
(hij) grijpt vast(hij) greep vast
(wij) grijpen vast(wij) grepen vast
(jullie) grijpen vast(jullie) grepen vast
(gij) grijpt vast(gij) greept vast
(zij) grijpen vast(zij) grepen vast
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) vastgrijpe(dat ik) vastgrepe
(dat jij) vastgrijpe(dat jij) vastgrepe
(dat hij) vastgrijpe(dat hij) vastgrepe
(dat wij) vastgrijpen(dat wij) vastgrepen
(dat jullie) vastgrijpen(dat jullie) vastgrepen
(dat gij) vastgrijpet(dat gij) vastgrepet
(dat zij) vastgrijpen(dat zij) vastgrepen
Imperative mood
Singular/PluralPlural
grijp vastgrijpt vast
Participles
Present participlePast participle
vastgrijpend, vastgrijpende(hebben) vastgegrepen

Translations

Esperantokroĉi