Information about the word afreizen (Dutch → Esperanto: ekvojaĝi)

Synonym: op reis gaan

Part of speechverb
Pronunciation/ɑfrɛɪ̯zə(n)/
Hyphenationaf·rei·zen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) reis af(ik) reisde af
(jij) reist af(jij) reisde af
(hij) reist af(hij) reisde af
(wij) reizen af(wij) reisden af
(jullie) reizen af(jullie) reisden af
(gij) reist af(gij) reisdet af
(zij) reizen af(zij) reisden af
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) afreize(dat ik) afreisde
(dat jij) afreize(dat jij) afreisde
(dat hij) afreize(dat hij) afreisde
(dat wij) afreizen(dat wij) afreisden
(dat jullie) afreizen(dat jullie) afreisden
(dat gij) afreizet(dat gij) afreisdet
(dat zij) afreizen(dat zij) afreisden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
reis afreist af
Participles
Present participlePast participle
afreizend, afreizende(zijn) afgereist

Usage samples

Premier Dick Schoof en minister van buitenlandse zaken Caspar Veldkamp reizen zaterdag af naar het Vaticaan voor de uitvaart van paus Franciscus.
Scholz reist volgende week af naar Moskou en Kiëv.

Translations

Englishdepart; leave; set out
Esperantoekvojaĝi
Portuguesepartir; pôr‐se a caminho
West Frisianôfreizgje