Information about the word spelen (Dutch → Esperanto: ludi)

Part of speechverb
Pronunciation/spelə(n)/
Hyphenationspe·len

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) speel(ik) speelde
(jij) speelt(jij) speelde
(hij) speelt(hij) speelde
(wij) spelen(wij) speelden
(jullie) spelen(jullie) speelden
(gij) speelt(gij) speeldet
(zij) spelen(zij) speelden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) spele(dat ik) speelde
(dat jij) spele(dat jij) speelde
(dat hij) spele(dat hij) speelde
(dat wij) spelen(dat wij) speelden
(dat jullie) spelen(dat jullie) speelden
(dat gij) spelet(dat gij) speeldet
(dat zij) spelen(dat zij) speelden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
speelspeelt
Participles
Present participlePast participle
spelend, spelende(hebben) gespeeld

Usage samples

Maar het is de vraag of hij zou willen spelen voor het dansen.
O, maar die speelt geen gitaar.

Translations

Afrikaansspeel
Esperantoludi
Italiansuonare
Jamaican Patoisplie
Russianиграть на
Spanishtocar
Welshcanu