Information about the word inkelderen (Dutch → Esperanto: enkeligi)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈɪŋkɛldərə(n)/
Hyphenationin·kel·de·ren

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) kelder in(ik) kelderde in
(jij) keldert in(jij) kelderde in
(hij) keldert in(hij) kelderde in
(wij) kelderen in(wij) kelderden in
(jullie) kelderen in(jullie) kelderden in
(gij) keldert in(gij) kelderdet in
(zij) kelderen in(zij) kelderden in
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) inkeldere(dat ik) inkelderde
(dat jij) inkeldere(dat jij) inkelderde
(dat hij) inkeldere(dat hij) inkelderde
(dat wij) inkelderen(dat wij) inkelderden
(dat jullie) inkelderen(dat jullie) inkelderden
(dat gij) inkelderet(dat gij) inkelderdet
(dat zij) inkelderen(dat zij) inkelderden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
kelder inkeldert in
Participles
Present participlePast participle
inkelderend, inkelderende(hebben) ingekelderd

Translations

Esperantoenkeligi
Germaneinkellern; in den Keller bringen