Information about the word openbreken (Dutch → Esperanto: rompmalfermiĝi)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈopə(m)brekə(n)/
Hyphenationopen·bre·ken

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) breek open(ik) brak open
(jij) breekt open(jij) brak open
(hij) breekt open(hij) brak open
(wij) breken open(wij) braken open
(jullie) breken open(jullie) braken open
(gij) breekt open(gij) braakt open
(zij) breken open(zij) braken open
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) openbreke(dat ik) openbrake
(dat jij) openbreke(dat jij) openbrake
(dat hij) openbreke(dat hij) openbrake
(dat wij) openbreken(dat wij) openbraken
(dat jullie) openbreken(dat jullie) openbraken
(dat gij) openbreket(dat gij) openbraket
(dat zij) openbreken(dat zij) openbraken
Participles
Present participlePast participle
openbrekend, openbrekende(zijn) opengebroken

Usage samples

De cocon brak open.

Translations

Esperantorompmalfermiĝi