Information about the word uiteenspatten (Dutch → Esperanto: dissalti)

Synonyms: uiteenspringen, uit elkaar springen

Part of speechverb
Pronunciation/œʏ̯ˈtenspɑtə(n)/
Hyphenationuit·een·spat·ten

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) spat uiteen(ik) spatte uiteen
(jij) spat uiteen(jij) spatte uiteen
(hij) spat uiteen(hij) spatte uiteen
(wij) spatten uiteen(wij) spatten uiteen
(jullie) spatten uiteen(jullie) spatten uiteen
(gij) spat uiteen(gij) spattet uiteen
(zij) spatten uiteen(zij) spatten uiteen
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) uiteenspatte(dat ik) uiteenspatte
(dat jij) uiteenspatte(dat jij) uiteenspatte
(dat hij) uiteenspatte(dat hij) uiteenspatte
(dat wij) uiteenspatten(dat wij) uiteenspatten
(dat jullie) uiteenspatten(dat jullie) uiteenspatten
(dat gij) uiteenspattet(dat gij) uiteenspattet
(dat zij) uiteenspatten(dat zij) uiteenspatten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
spat uiteenspat uiteen
Participles
Present participlePast participle
uiteenspattend, uiteenspattende(zijn) uiteengespat

Usage samples

De achterruit spatte uiteen en het glas regende op hen neer.

Translations

Englishshatter
Esperantodissalti
Faeroesebrotna