Information about the word zetten (Dutch → Esperanto: infuzi)

Synonyms: aftrekken, laten trekken, trekken

Part of speechverb
Pronunciation/ˈzɛtə(n)/
Hyphenationzet·ten

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) zet(ik) zette
(jij) zet(jij) zette
(hij) zet(hij) zette
(wij) zetten(wij) zetten
(jullie) zetten(jullie) zetten
(gij) zet(gij) zettet
(zij) zetten(zij) zetten
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) zette(dat ik) zette
(dat jij) zette(dat jij) zette
(dat hij) zette(dat hij) zette
(dat wij) zetten(dat wij) zetten
(dat jullie) zetten(dat jullie) zetten
(dat gij) zettet(dat gij) zettet
(dat zij) zetten(dat zij) zetten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
zetzet
Participles
Present participlePast participle
zettend, zettende(hebben) gezet

Usage samples

Daarna zette hij thee en braadde een stuk vlees.
In de eetkamer zette hij koffie en daarna zat hij een half uur te luisteren naar het zuchten van het water over het plat en toen ging hij naar zijn kooi.
Toen Frank Dureya de wagen binnentrad, was deze ruimte geheel gevuld met de heerlijke geuren van vers gezette koffie en gebakken spek.

Translations

Catalanfer una infusió
Englishbrew
Esperantoinfuzi
Germanaufgießen; infundieren; ziehen lassen; aufbrühen
Saterland Frisianapjoote; infundierje; luuke läite
Spanishhacer una infusion; infundir
West Frisianôftrekke