Information über das Wort zegepralen (Niederländisch → Esperanto: triumfi)

Synonyme: triomferen, zegevieren

WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) zegepraal(ik) zegepraalde
(jij) zegepraalt(jij) zegepraalde
(hij) zegepraalt(hij) zegepraalde
(wij) zegepralen(wij) zegepraalden
(jullie) zegepralen(jullie) zegepraalden
(gij) zegepraalt(gij) zegepraaldet
(zij) zegepralen(zij) zegepraalden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) zegeprale(dat ik) zegepraalde
(dat jij) zegeprale(dat jij) zegepraalde
(dat hij) zegeprale(dat hij) zegepraalde
(dat wij) zegepralen(dat wij) zegepraalden
(dat jullie) zegepralen(dat jullie) zegepraalden
(dat gij) zegepralet(dat gij) zegepraaldet
(dat zij) zegepralen(dat zij) zegepraalden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
zegepraalzegepraalt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
zegepralend, zegepralende(hebben) gezegepraald

Übersetzungen

Englischtriumph
Esperantotriumfi
Italienischtrionfare
Lateintriumphare
Portugiesischalcançar vitória; cantar vitória; triunfar
Schwedischtriumfera