Information über das Wort bebouwen (Niederländisch → Esperanto: surkonstrui)

WortartVerb
Aussprache/bəˈbʌʊ̯ʋə(n)/
Trennungbe·bou·wen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) bebouw(ik) bebouwde
(jij) bebouwt(jij) bebouwde
(hij) bebouwt(hij) bebouwde
(wij) bebouwen(wij) bebouwden
(jullie) bebouwen(jullie) bebouwden
(gij) bebouwt(gij) bebouwdet
(zij) bebouwen(zij) bebouwden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) bebouwe(dat ik) bebouwde
(dat jij) bebouwe(dat jij) bebouwde
(dat hij) bebouwe(dat hij) bebouwde
(dat wij) bebouwen(dat wij) bebouwden
(dat jullie) bebouwen(dat jullie) bebouwden
(dat gij) bebouwet(dat gij) bebouwdet
(dat zij) bebouwen(dat zij) bebouwden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
bebouwbebouwt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
bebouwend, bebouwende(hebben) bebouwd

Übersetzungen

Englischbuild on
Esperantosurkonstrui
Spanischcubrir de construcciones