Information über das Wort afgrendelen (Niederländisch → Esperanto: riglofermi)

WortartVerb
Aussprache/ˈɑfxrɛndələ(n)/
Trennungaf·gren·de·len

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) grendel af(ik) grendelde af
(jij) grendelt af(jij) grendelde af
(hij) grendelt af(hij) grendelde af
(wij) grendelen af(wij) grendelden af
(jullie) grendelen af(jullie) grendelden af
(gij) grendelt af(gij) grendeldet af
(zij) grendelen af(zij) grendelden af
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) afgrendele(dat ik) afgrendelde
(dat jij) afgrendele(dat jij) afgrendelde
(dat hij) afgrendele(dat hij) afgrendelde
(dat wij) afgrendelen(dat wij) afgrendelden
(dat jullie) afgrendelen(dat jullie) afgrendelden
(dat gij) afgrendelet(dat gij) afgrendeldet
(dat zij) afgrendelen(dat zij) afgrendelden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
grendel afgrendelt af
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
afgrendelend, afgrendelende(hebben) afgegrendeld

Übersetzungen

Englischbar
Esperantoriglofermi
WestFriesischôfskoattelje