Information über das Wort kantelen (Niederländisch → Esperanto: renversiĝi)

Synonyme: kapseizen, omvallen, ten val komen, omslaan, omkiepen, omkieperen, omkantelen, zich omrollen

WortartVerb
Aussprache/ˈkɑntələ(n)/
Trennungkan·te·len

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) kantel(ik) kantelde
(jij) kantelt(jij) kantelde
(hij) kantelt(hij) kantelde
(wij) kantelen(wij) kantelden
(jullie) kantelen(jullie) kantelden
(gij) kantelt(gij) kanteldet
(zij) kantelen(zij) kantelden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) kantele(dat ik) kantelde
(dat jij) kantele(dat jij) kantelde
(dat hij) kantele(dat hij) kantelde
(dat wij) kantelen(dat wij) kantelden
(dat jullie) kantelen(dat jullie) kantelden
(dat gij) kantelet(dat gij) kanteldet
(dat zij) kantelen(dat zij) kantelden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
kantelkantelt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
kantelend, kantelende(zijn) gekanteld

Gebrauchsbeispiele

Tijdens de achtervolging werd er geschoten en kantelde de auto, zegt het parlementslid.
Op de A28 is vannacht een vrachtwagen met suikerbieten gekanteld.

Übersetzungen

Deutscheinstürzen; kappen; umfallen
Englischturn over; capsize; overturn
Esperantorenversiĝi
Saterfriesischienfaale; ienstäite; ienstöärtje; uumefaale