Information über das Wort inrijgen (Niederländisch → Esperanto: premlaĉi)

WortartVerb
Aussprache/ˈɪnrɛɪ̯ɣə(n)/
Trennungin·rij·gen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) rijg in(ik) reeg in
(jij) rijgt in(jij) reeg in
(hij) rijgt in(hij) reeg in
(wij) rijgen in(wij) regen in
(jullie) rijgen in(jullie) regen in
(gij) rijgt in(gij) reegt in
(zij) rijgen in(zij) regen in
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) inrijge(dat ik) inrege
(dat jij) inrijge(dat jij) inrege
(dat hij) inrijge(dat hij) inrege
(dat wij) inrijgen(dat wij) inregen
(dat jullie) inrijgen(dat jullie) inregen
(dat gij) inrijget(dat gij) inreget
(dat zij) inrijgen(dat zij) inregen
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
rijg inrijgt in
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
inrijgend, inrijgende(hebben) ingeregen

Übersetzungen

Esperantopremlaĉi