Information über das Wort bemantelen (Niederländisch → Esperanto: maski)

Synonyme: bewimpelen, máskeren, verhullen

WortartVerb
Aussprache/bəˈmɑntələ(n)/
Trennungbe·man·te·len

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) bemantel(ik) bemantelde
(jij) bemantelt(jij) bemantelde
(hij) bemantelt(hij) bemantelde
(wij) bemantelen(wij) bemantelden
(jullie) bemantelen(jullie) bemantelden
(gij) bemantelt(gij) bemanteldet
(zij) bemantelen(zij) bemantelden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) bemantele(dat ik) bemantelde
(dat jij) bemantele(dat jij) bemantelde
(dat hij) bemantele(dat hij) bemantelde
(dat wij) bemantelen(dat wij) bemantelden
(dat jullie) bemantelen(dat jullie) bemantelden
(dat gij) bemantelet(dat gij) bemanteldet
(dat zij) bemantelen(dat zij) bemantelden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
bemantelbemantelt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
bemantelend, bemantelende(hebben) bemanteld

Übersetzungen

Dänischmaskere
Englischmask
Esperantomaski
Portugiesischmascarar
Spanischpaliar