Information über das Wort maken (Niederländisch → Esperanto: igi)

Synonyme: doen, laten, laten doen, ertoe brengen

WortartVerb
Aussprache/ˈmakə(n)/
Trennungma·ken

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) maak(ik) maakte
(jij) maakt(jij) maakte
(hij) maakt(hij) maakte
(wij) maken(wij) maakten
(jullie) maken(jullie) maakten
(gij) maakt(gij) maaktet
(zij) maken(zij) maakten
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) make(dat ik) maakte
(dat jij) make(dat jij) maakte
(dat hij) make(dat hij) maakte
(dat wij) maken(dat wij) maakten
(dat jullie) maken(dat jullie) maakten
(dat gij) maket(dat gij) maaktet
(dat zij) maken(dat zij) maakten
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
maakmaakt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
makend, makende(hebben) gemaakt

Gebrauchsbeispiele

Dat maakte dat hij zich iets beter voelde.
Dit doet de kosten stijgen en maakt dat aluminium een duurder metaal is.
Dit gedrag maakt dat de lengte van de dag tijdens het jaar enigszins varieert.

Übersetzungen

Deutschmachen; veranlassen; bewirken; verursachen; lassen
Englischmake
Esperantoigi
Färöerischgera; fáa at; lata
Finnischtehdä
Französischfaire; rendre
Jamaikanisches Kreolischmek
Katalanischcausar
Papiamentohasi
Polnischczynić czymś; skłaniać do czegoś
Saterfriesischdwo; läite; dwo läite; moakje; feranlasje
Spanischcausar
Suaheli‐tia
Thaiให้
Tschechischvyvolat; způsobit
WestFriesischdwaan; litte; meitsje