Information über das Wort nemen (Niederländisch → Esperanto: preni)

WortartVerb
Aussprache/ˈnemə(n)/
Trennungne·men

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) neem(ik) nam
(jij) neemt(jij) nam
(hij) neemt(hij) nam
(wij) nemen(wij) namen
(jullie) nemen(jullie) namen
(gij) neemt(gij) naamt
(zij) nemen(zij) namen
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) neme(dat ik) name
(dat jij) neme(dat jij) name
(dat hij) neme(dat hij) name
(dat wij) nemen(dat wij) namen
(dat jullie) nemen(dat jullie) namen
(dat gij) nemet(dat gij) namet
(dat zij) nemen(dat zij) namen
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
neemneemt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
nemend, nemende(hebben) genomen

Gebrauchsbeispiele

In Birma hadden Japanse troepen Rangoon genomen en rukten naar het noorden op.

Übersetzungen

Afrikaansneem
Esperantopreni
Französischprendre