Information über das Wort afkondigen (Niederländisch → Esperanto: deklari)

Synonyme: aangeven, verklaren, noemen, verklaren tot, uitspreken

WortartVerb
Aussprache/ˈɑfkɔndəɣə(n)/
Trennungaf·kon·di·gen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) kondig af(ik) kondigde af
(jij) kondigt af(jij) kondigde af
(hij) kondigt af(hij) kondigde af
(wij) kondigen af(wij) kondigden af
(jullie) kondigen af(jullie) kondigden af
(gij) kondigt af(gij) kondigdet af
(zij) kondigen af(zij) kondigden af
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) afkondige(dat ik) afkondigde
(dat jij) afkondige(dat jij) afkondigde
(dat hij) afkondige(dat hij) afkondigde
(dat wij) afkondigen(dat wij) afkondigden
(dat jullie) afkondigen(dat jullie) afkondigden
(dat gij) afkondiget(dat gij) afkondigdet
(dat zij) afkondigen(dat zij) afkondigden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
kondig afkondigt af
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
afkondigend, afkondigende(hebben) afkondigde

Gebrauchsbeispiele

Op 31 maart 1922 werd een algemene amnestie afgekondigd.

Übersetzungen

Afrikaansverklaar; aangee
Dänischerklære
Deutschdeklarieren; erklären; melden; anzeigen; verkünden; ansagen
Englischdeclare
Esperantodeklari
Französischdéclarer
Griechischαγγέλω
Katalanischdeclarar
Niederdeutschverklåren
Papiamentodeklará
Portugiesischdeclarar; declinar; depor
Saterfriesischdeklarierje; fääststaale; konstatierje
Schwedischbetyga; förklara
Spanischdeclarar
Ungarischdeklarál; nyilvánít