Information über das Wort slapen (Niederländisch → Esperanto: seksumi)

Synonyme: naaien, neuken, vozen, wippen, het doen

WortartVerb
Aussprache/ˈslapə(n)/
Trennungsla·pen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) slaap(ik) sliep
(jij) slaapt(jij) sliep
(hij) slaapt(hij) sliep
(wij) slapen(wij) sliepen
(jullie) slapen(jullie) sliepen
(gij) slaapt(gij) sliept
(zij) slapen(zij) sliepen
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) slape(dat ik) sliepe
(dat jij) slape(dat jij) sliepe
(dat hij) slape(dat hij) sliepe
(dat wij) slapen(dat wij) sliepen
(dat jullie) slapen(dat jullie) sliepen
(dat gij) slapet(dat gij) sliepet
(dat zij) slapen(dat zij) sliepen
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
slaapslaapt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
slapend, slapende(hebben) geslapen

Gebrauchsbeispiele

Gij weet dat de sultan bij zijn ziel gezworen heeft slechts eenmaal met dezelfde vrouw te slapen en haar de volgende dag het leven te laten benemen, en wilt ge nu dat ik hem voorstel met u te trouwen?

Übersetzungen

Englischsleep
Esperantoseksumi
Französischbaiser
Papiamentohunga; kohe; koi; kue; limpia
Portugiesischcopular; transar
Thaiร่วมรัก; ร่วมเพศ; ร่วมประเวณี