Information über das Wort verlagen (Niederländisch → Esperanto: malplialtigi)

WortartVerb
Aussprache/vərˈlaɣə(n)/
Trennungver·la·gen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) verlaag(ik) verlaagde
(jij) verlaagt(jij) verlaagde
(hij) verlaagt(hij) verlaagde
(wij) verlagen(wij) verlaagden
(jullie) verlagen(jullie) verlaagden
(gij) verlaagt(gij) verlaagdet
(zij) verlagen(zij) verlaagden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) verlage(dat ik) verlaagde
(dat jij) verlage(dat jij) verlaagde
(dat hij) verlage(dat hij) verlaagde
(dat wij) verlagen(dat wij) verlaagden
(dat jullie) verlagen(dat jullie) verlaagden
(dat gij) verlaget(dat gij) verlaagdet
(dat zij) verlagen(dat zij) verlaagden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
verlaagverlaagt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
verlagend, verlagende(hebben) verlaagd

Gebrauchsbeispiele

De Spaanse regering wil ook de regels voor de arbeidsmarkt aanpassen en de vennootschapsbelasting verlagen.

Übersetzungen

Deutschsenken
Englischlower; cut
Esperantomalplialtigi