Information über das Wort overvallen (Niederländisch → Esperanto: razii)

WortartVerb
Aussprache/ovərˈvɑlə(n)/
Trennungover·val·len

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) overval(ik) overviel
(jij) overvalt(jij) overviel
(hij) overvalt(hij) overviel
(wij) overvallen(wij) overvielen
(jullie) overvallen(jullie) overvielen
(gij) overvalt(gij) overvielt
(zij) overvallen(zij) overvielen
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) overvalle(dat ik) overviele
(dat jij) overvalle(dat jij) overviele
(dat hij) overvalle(dat hij) overviele
(dat wij) overvallen(dat wij) overvielen
(dat jullie) overvallen(dat jullie) overvielen
(dat gij) overvallet(dat gij) overvielet
(dat zij) overvallen(dat zij) overvielen
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
overvalovervalt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
overvallend, overvallende(hebben) overvallen

Übersetzungen

Englischraid
Esperantorazii