Information über das Wort oplopen (Niederländisch → Esperanto: plialtiĝi)

Synonym: stijgen

WortartVerb
Aussprache/ˈɔplopə(n)/
Trennungop·lo·pen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) loop op(ik) liep op
(jij) loopt op(jij) liep op
(hij) loopt op(hij) liep op
(wij) lopen op(wij) liepen op
(jullie) lopen op(jullie) liepen op
(gij) loopt op(gij) liept op
(zij) lopen op(zij) liepen op
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) oplope(dat ik) opliepe
(dat jij) oplope(dat jij) opliepe
(dat hij) oplope(dat hij) opliepe
(dat wij) oplopen(dat wij) opliepen
(dat jullie) oplopen(dat jullie) opliepen
(dat gij) oplopet(dat gij) opliepet
(dat zij) oplopen(dat zij) opliepen
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
oplopend, oplopende(hebben) opgelopen

Gebrauchsbeispiele

De kosten van de operatie zijn inmiddels opgelopen tot honderd miljoen euro, zei Le Drian.
Het dodental door een reeks verwoestende tornado’s in het middenwesten en zuiden van de Verenigde Staten is opgelopen tot 39.
De waarde van de lira is de laatste tijd flink gezakt, met als gevolg dat de al fikse inflatie in het land nog verder dreigt op te lopen.
De spanningen tussen Polen en Wit‐Rusland zijn opnieuw opgelopen sinds een deel van het Russische huurlingenleger Wagner zich in Wit‐Rusland bevindt.

Übersetzungen

Deutschsteigen
Englischrise
Esperantoplialtiĝi