Information über das Wort natrekken (Niederländisch → Esperanto: esplori)

Synonyme: nagaan, onderzoeken, uitzoeken, uitvissen

WortartVerb
Aussprache/ˈnatrɛkə(n)/
Trennungna·trek·ken

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) trek na(ik) trok na
(jij) trekt na(jij) trok na
(hij) trekt na(hij) trok na
(wij) trekken na(wij) trokken na
(jullie) trekken na(jullie) trokken na
(gij) trekt na(gij) trokt na
(zij) trekken na(zij) trokken na
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) natrekke(dat ik) natrokke
(dat jij) natrekke(dat jij) natrokke
(dat hij) natrekke(dat hij) natrokke
(dat wij) natrekken(dat wij) natrokken
(dat jullie) natrekken(dat jullie) natrokken
(dat gij) natrekket(dat gij) natrokket
(dat zij) natrekken(dat zij) natrokken
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
trek natrekt na
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
natrekkend, natrekkende(hebben) nagetrokken

Gebrauchsbeispiele

Het duurde tot elf uur voor hij het tiental adressen dat hij had genoteerd, had nagetrokken.
Trek die Johnny van der Kamp eens na.
Je had een en ander moeten natrekken bij Ildefonse.

Übersetzungen

Afrikaansondersóék
Esperantoesplori
Niederdeutschundersöken