Information über das Wort riskeren (Niederländisch → Esperanto: riski)

Synonym: risico lopen

WortartVerb
Aussprache/rɪsˈkeːrə(n)/
Trennungris·ke·ren

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) riskeer(ik) riskeerde
(jij) riskeert(jij) riskeerde
(hij) riskeert(hij) riskeerde
(wij) riskeren(wij) riskeerden
(jullie) riskeren(jullie) riskeerden
(gij) riskeert(gij) riskeerdet
(zij) riskeren(zij) riskeerden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) riskere(dat ik) riskeerde
(dat jij) riskere(dat jij) riskeerde
(dat hij) riskere(dat hij) riskeerde
(dat wij) riskeren(dat wij) riskeerden
(dat jullie) riskeren(dat jullie) riskeerden
(dat gij) riskeret(dat gij) riskeerdet
(dat zij) riskeren(dat zij) riskeerden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
riskeerriskeert
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
riskerend, riskerende(hebben) geriskeerd

Gebrauchsbeispiele

We mogen niet riskeren dat we het toestel kwijtraken.

Übersetzungen

Englischrisk
Esperantoriski