Information über das Wort aandoen (Niederländisch → Esperanto: fari)

Synonyme: doen, sluiten, afsluiten, aangaan, toebrengen, stellen

WortartVerb
Aussprache/ˈandun/
Trennungaan·doen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) doe aan(ik) deed aan
(jij) doet aan(jij) deed aan
(hij) doet aan(hij) deed aan
(wij) doen aan(wij) deden aan
(jullie) doen aan(jullie) deden aan
(gij) doet aan(gij) deedt aan
(zij) doen aan(zij) deden aan
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) aandoe(dat ik) aandede
(dat jij) aandoe(dat jij) aandede
(dat hij) aandoe(dat hij) aandede
(dat wij) aandoen(dat wij) aandeden
(dat jullie) aandoen(dat jullie) aandeden
(dat gij) aandoet(dat gij) aandedet
(dat zij) aandoen(dat zij) aandeden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
doe aandoet aan
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
aandoend, aandoende(hebben) aangedaan

Gebrauchsbeispiele

Ik wil de vijand spreken die mij zoveel onrecht heeft aangedaan.
Als iemand mij zoiets aangedaan had, zou ik vast niet tweemaal door een verrekijker behoeven te kijken om te weten wie het was.
Mijn firma heeft deze zelfde Shurgez een proces aangedaan wegens het misbruiken van onze kledij.

Übersetzungen

Afrikaansaangaan; aandoen
Deutschschließen
Englischreach; strike; make
Esperantofari
Jamaikanisches Kreolischdu
Niederdeutschangån
Scotsdae
WestFriesischdwaan