Information über das Wort nemen (Niederländisch → Esperanto: preni)

WortartVerb
Aussprache/ˈnemə(n)/
Trennungne·men

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) neem(ik) nam
(jij) neemt(jij) nam
(hij) neemt(hij) nam
(wij) nemen(wij) namen
(jullie) nemen(jullie) namen
(gij) neemt(gij) naamt
(zij) nemen(zij) namen
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) neme(dat ik) name
(dat jij) neme(dat jij) name
(dat hij) neme(dat hij) name
(dat wij) nemen(dat wij) namen
(dat jullie) nemen(dat jullie) namen
(dat gij) nemet(dat gij) namet
(dat zij) nemen(dat zij) namen
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
neemneemt
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
nemend, nemende(hebben) genomen

Gebrauchsbeispiele

Vakar nam een flinke teug en keek opnieuw.
Dadelijk greep hij ernaar en nam gulzig een paar grote slokken.

Übersetzungen

Afrikaansneem
Englischtake
Esperantopreni
Französischprendre
Niederdeutschnömmen
WestFriesischnimme