Information über das Wort zich afspelen (Niederländisch → Esperanto: okazi)

Synonyme: aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorvallen, plaatsgrijpen, plaatsvinden, omgaan, zich voordoen, passeren, optreden, gevallen, plaatshebben, zich voltrekken, zich toedragen, vóórkomen

Wortartreflexives Verb
Trennungzich af·spe·len

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(het) speelt zich af(het) speelde zich af
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat het) zich afspele(dat het) zich afspeelde
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
zich , zich (heeft) zich afgespeeld

Gebrauchsbeispiele

Een buitenstaander die bij Stone’s Hill aankwam, moest in eerste instantie wel hogelijk verbaasd zijn over het schouwspel dat zich daar voor zijn ogen afspeelde.
Ik vertel je dit verhaal zoals het zich waarschijnlijk heeft afgespeeld, want natuurlijk waren er, voor wat dit deel betreft, geen getuigen.
U schijnt heel wat te weten over wat zich buiten het kamp afspeelt.