Information über das Wort óvertrekken (Niederländisch → Esperanto: transiri)

Synonyme: overgaan, óverlopen

WortartVerb
Aussprache/ˈovərtrɛkə(n)/
Trennungover·trek·ken

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) trek over(ik) trok over
(jij) trekt over(jij) trok over
(hij) trekt over(hij) trok over
(wij) trekken over(wij) trokken over
(jullie) trekken over(jullie) trokken over
(gij) trekt over(gij) trokt over
(zij) trekken over(zij) trokken over
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) overtrekke(dat ik) overtrokke
(dat jij) overtrekke(dat jij) overtrokke
(dat hij) overtrekke(dat hij) overtrokke
(dat wij) overtrekken(dat wij) overtrokken
(dat jullie) overtrekken(dat jullie) overtrokken
(dat gij) overtrekket(dat gij) overtrokket
(dat zij) overtrekken(dat zij) overtrokken
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
trek overtrekt over
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
overtrekkend, overtrekkende(zijn) overgetrokken

Gebrauchsbeispiele

We trekken dus de Mare Erythraeum over, krijgen dan het woestijngebied van Pyrrha en komen in de buurt van de stad.