Informasie oor die woord borduren (Nederlands → Esperanto: brodi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/bɔrˈdyːrə(n)/
Afbrekingbor·du·ren

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) borduur(ik) borduurde
(jij) borduurt(jij) borduurde
(hij) borduurt(hij) borduurde
(wij) borduren(wij) borduurden
(jullie) borduren(jullie) borduurden
(gij) borduurt(gij) borduurdet
(zij) borduren(zij) borduurden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) bordure(dat ik) borduurde
(dat jij) bordure(dat jij) borduurde
(dat hij) bordure(dat hij) borduurde
(dat wij) borduren(dat wij) borduurden
(dat jullie) borduren(dat jullie) borduurden
(dat gij) borduret(dat gij) borduurdet
(dat zij) borduren(dat zij) borduurden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
borduurborduurt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
bordurend, bordurende(hebben) geborduurd

Voorbeelde van gebruik

Bij het venster zaten de edelvrouwen Bortrude en Parthenope te borduren.

Vertalinge

Afrikaansborduur
Duitssticken; besticken; verschönen; schmücken
Engelsembroider
Esperantobrodi
Faroëesseyma í; seyma uppi; baldýra
Fransbroder
Hongaarshímez
Katalaansbrodar
Portugeesbordar; lavrar; recamar
Russiesвышивать
Saterfriesstikje
Spaansbordar; recamar