Informasie oor die woord brassen (Nederlands → Esperanto: brasi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈbrɑsə(n)/
Afbrekingbras·sen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) bras(ik) braste
(jij) brast(jij) braste
(hij) brast(hij) braste
(wij) brassen(wij) brasten
(jullie) brassen(jullie) brasten
(gij) brast(gij) brastet
(zij) brassen(zij) brasten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) brasse(dat ik) braste
(dat jij) brasse(dat jij) braste
(dat hij) brasse(dat hij) braste
(dat wij) brassen(dat wij) brasten
(dat jullie) brassen(dat jullie) brasten
(dat gij) brasset(dat gij) brastet
(dat zij) brassen(dat zij) brasten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
brasbrast
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
brassend, brassende(hebben) gebrast

Vertalinge

Duitsbrassen; abbrassen
Esperantobrasi
Portugeesbracear
Spaansbracear