Informasie oor die woord tweetal (Nederlands → Esperanto: duo)

Sinonieme: duo, paar, stel

Woordsoortselfstandige naamwoord
Uitspraak/ˈtʋetɑl/
Afbrekingtwee·tal

Voorbeelde van gebruik

De grootste van het tweetal keek wat zoekend rond, alsof hij iets zocht.
Hertog Fedesha keek toe hoe het tweetal dronk.
„Het is stuitend”, prevelde de heer de Cantecler, het tweetal door zijn lorgon naogend.

Vertalinge

DuitsAnzahl von zwei
Engelspair
Esperantoduo; duopo
Friespear; twatal
Hongaarspár
Nederduitspår
Noorspar
Papiamentsduo; par
Poolspara
Portugeespar
Spaanspar; dúo
Sweedsduo; par
Thaiคู่
Yslandspar