Sinonieme: aflopen, doorgaan, gaan door, doorkrúísen, dóórlopen, doorváren, dóórsteken
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈɑflɛɣə(n)/ |
|---|
| Afbreking | af·leg·gen |
|---|
Vervoeging
| Aantonende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (ik) leg af | (ik) legde af |
| (jij) legt af | (jij) legde af |
| (hij) legt af | (hij) legde af |
| (wij) leggen af | (wij) legden af |
| (jullie) leggen af | (jullie) legden af |
| (gij) legt af | (gij) legdet af |
| (zij) leggen af | (zij) legden af |
| Aanvoegende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (dat ik) aflegge | (dat ik) aflegde |
| (dat jij) aflegge | (dat jij) aflegde |
| (dat hij) aflegge | (dat hij) aflegde |
| (dat wij) afleggen | (dat wij) aflegden |
| (dat jullie) afleggen | (dat jullie) aflegden |
| (dat gij) aflegget | (dat gij) aflegdet |
| (dat zij) afleggen | (dat zij) aflegden |
| Gebiedende wys |
|---|
| Enkelvoud/Meervoud | Meervoud |
|---|
| leg af | legt af |
| Deelwoorde |
|---|
| Teenwoordige deelwoord | Verlede deelwoord |
|---|
| afleggend, afleggende | (hebben) afgelegd |
Daarna zouden we de jeep kunnen achterlaten en de rest van onze speurtocht te voet kunnen afleggen.
Bij het naderen van de kliniek minderde Simon vaart, zette zijn wagen stil en legde het laatste eind te voet af.
De volgende dag legde het leger slechts drie mijlen af.
In de winter moeten wolven ook grotere afstanden afleggen om aan voedsel te komen.