Informasie oor die woord suikeren (Nederlands → Esperanto: sukeri)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/sœʏ̯kərə(n)/
Afbrekingsui·ke·ren

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) suiker(ik) suikerde
(jij) suikert(jij) suikerde
(hij) suikert(hij) suikerde
(wij) suikeren(wij) suikerden
(jullie) suikeren(jullie) suikerden
(gij) suikert(gij) suikerdet
(zij) suikeren(zij) suikerden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) suikere(dat ik) suikerde
(dat jij) suikere(dat jij) suikerde
(dat hij) suikere(dat hij) suikerde
(dat wij) suikeren(dat wij) suikerden
(dat jullie) suikeren(dat jullie) suikerden
(dat gij) suikeret(dat gij) suikerdet
(dat zij) suikeren(dat zij) suikerden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
suikersuikert
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
suikerend, suikerende(hebben) gesuikerd

Voorbeelde van gebruik

De aardbeien staan al gesuikerd in de ijskast.

Vertalinge

Afrikaanssuiker
Duitszuckern
Engelssugar
Esperantosukeri
Portugeesaçucarar