Informasie oor die woord loensen (Nederlands → Esperanto: strabi)

Sinonieme: scheelkijken, scheelzien

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈlunsə(n)/
Afbrekingloen·sen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) loens(ik) loenste
(jij) loenst(jij) loenste
(hij) loenst(hij) loenste
(wij) loensen(wij) loensten
(jullie) loensen(jullie) loensten
(gij) loenst(gij) loenstet
(zij) loensen(zij) loensten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) loense(dat ik) loenste
(dat jij) loense(dat jij) loenste
(dat hij) loense(dat hij) loenste
(dat wij) loensen(dat wij) loensten
(dat jullie) loensen(dat jullie) loensten
(dat gij) loenset(dat gij) loenstet
(dat zij) loensen(dat zij) loensten
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
loensend, loensende(hebben) geloenst

Vertalinge

Duitsschielen
Engelssquint
Esperantostrabi
Faroëesskeita
Fransloucher
Portugeesser vesgo; vesguear
Saterfriesskielje
Spaansbizquear; torcer la vista