Sinonieme: veldteken, standaard, vaandel, vendel, wimpel, vaan
| Woordsoort | selfstandige naamwoord |
|---|
| Uitspraak | /baˈniːr/ |
|---|
| Afbreking | ba·nier |
|---|
| Geslag | histories vroulik, teënwoordig ook manlik |
|---|
| Meervoud | banieren |
|---|
Zij droegen talloze banieren, zwart en rood, en stormden aan als een vloedgolf, woedend en wanordelijk.
Vanaf zijn ligplaats zag Puc langs de wanden van de tent nog meer banieren hangen.
Zekerheid dat het oorlog was, kwam toen het leger van Poitan, tienduizend man sterk, door de zuidelijke passen marcheerde, met wapperende banieren, en blinkend van het staal.