Informasie oor die woord uitslapen (Nederlands → Esperanto: satdormi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈœʏ̯tslapə(n)/
Afbrekinguit·sla·pen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) slaap uit(ik) sliep uit
(jij) slaapt uit(jij) sliep uit
(hij) slaapt uit(hij) sliep uit
(wij) slapen uit(wij) sliepen uit
(jullie) slapen uit(jullie) sliepen uit
(gij) slaapt uit(gij) sliept uit
(zij) slapen uit(zij) sliepen uit
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) uitslape(dat ik) uitsliepe
(dat jij) uitslape(dat jij) uitsliepe
(dat hij) uitslape(dat hij) uitsliepe
(dat wij) uitslapen(dat wij) uitsliepen
(dat jullie) uitslapen(dat jullie) uitsliepen
(dat gij) uitslapet(dat gij) uitsliepet
(dat zij) uitslapen(dat zij) uitsliepen
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
slaap uitslaapt uit
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
uitslapend, uitslapende(hebben) uitgeslapen

Voorbeelde van gebruik

De directeur maakte er geen geheim van dat hij graag lang uitsliep.

Vertalinge

Esperantosatdormi