Informasie oor die woord roesten (Nederlands → Esperanto: rustiĝi)

Sinoniem: verroesten

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈrustə(n)/
Afbrekingroes·ten

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) roest(ik) roestte
(jij) roest(jij) roestte
(hij) roest(hij) roestte
(wij) roesten(wij) roestten
(jullie) roesten(jullie) roestten
(gij) roest(gij) roesttet
(zij) roesten(zij) roestten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) roeste(dat ik) roestte
(dat jij) roeste(dat jij) roestte
(dat hij) roeste(dat hij) roestte
(dat wij) roesten(dat wij) roestten
(dat jullie) roesten(dat jullie) roestten
(dat gij) roestet(dat gij) roesttet
(dat zij) roesten(dat zij) roestten
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
roestend, roestende(hebben) geroest

Voorbeelde van gebruik

Die schuit lag daar al een paar jaar te roesten, want de eigenaar kon hem aan de straatstenen nog niet kwijt.

Vertalinge

Deensruste
Engelsrust
Esperantorustiĝi
Friesferroastkje; roastje; roastkje
Italiaansarrugginirsi
Papiamentsfrusa; frustia
Portugeesenferrujar; oxidar‐se
Sweedsrosta