Informasie oor die woord aangroeien (Nederlands → Esperanto: pliiĝi)

Sinonieme: groeien, stijgen, toenemen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈaŋɣrujə(n)/
Afbrekingaan·groei·en

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) groei aan(ik) groeide aan
(jij) groeit aan(jij) groeide aan
(hij) groeit aan(hij) groeide aan
(wij) groeien aan(wij) groeiden aan
(jullie) groeien aan(jullie) groeiden aan
(gij) groeit aan(gij) groeidet aan
(zij) groeien aan(zij) groeiden aan
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) aangroeie(dat ik) aangroeide
(dat jij) aangroeie(dat jij) aangroeide
(dat hij) aangroeie(dat hij) aangroeide
(dat wij) aangroeien(dat wij) aangroeiden
(dat jullie) aangroeien(dat jullie) aangroeiden
(dat gij) aangroeiet(dat gij) aangroeidet
(dat zij) aangroeien(dat zij) aangroeiden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
groei aangroeit aan
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
aangroeiend, aangroeiende(zijn) aangegroeid

Voorbeelde van gebruik

Een bedrag van € 2.500 heeft een aantal jaren tegen 6,75% enkelvoudige interest per jaar uitgestaan en is aangegroeid tot € 3.850.

Vertalinge

Afrikaansaangroei
Duitszunehmen
Engelsaugment; grow; increase
Esperantopliiĝi
Fransaugmenter; redoubler