Sinonieme: betasten, voelen, bevoelen, voelen aan, zitten aan, frutselen, palperen, morrelen aan
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈtɑstə(n)/ |
|---|
| Afbreking | tas·ten |
|---|
Een ogenblik lang tastte hij naar wat erin zat.
Door om zich heen te tasten ontdekte hij dat hij op een vloer zat van glad aaneensluitende stenen platen.
Maar toen bukte hij zich en begon tastend in de modder te roeren.
Zijn handen tastten naar zijn hoofd.
De commissaris zocht tastend zijn weg naar waar Arndt zat.
Langdon voelde dat de dokter voorzichtig naar de catheter tastte.