Informasie oor die woord afkeuren (Nederlands → Esperanto: mallaŭdi)

Sinonieme: berispen, gispen, laken, wraken, kleineren

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɑfkøːrə(n)/
Afbrekingaf·keu·ren

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) keur af(ik) keurde af
(jij) keurt af(jij) keurde af
(hij) keurt af(hij) keurde af
(wij) keuren af(wij) keurden af
(jullie) keuren af(jullie) keurden af
(gij) keurt af(gij) keurdet af
(zij) keuren af(zij) keurden af
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) afkeure(dat ik) afkeurde
(dat jij) afkeure(dat jij) afkeurde
(dat hij) afkeure(dat hij) afkeurde
(dat wij) afkeuren(dat wij) afkeurden
(dat jullie) afkeuren(dat jullie) afkeurden
(dat gij) afkeuret(dat gij) afkeurdet
(dat zij) afkeuren(dat zij) afkeurden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
keur afkeurt af
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
afkeurend, afkeurende(hebben) afgekeurd

Vertalinge

Afrikaansberispe
Deensdadle
Duitszurechtweisen
Engelsrebuke; censure; condemn; decry
Esperantomallaŭdi
Noorsdadle
Saterfriestougjuchtewiese; touwiskje
Spaanscensurar; desaprobar; reprender; reprobar