Sinonieme: aansluiten, binden, vastbinden, verbinden, liëren
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈvɑstmakə(n)/ |
|---|
| Afbreking | vast·ma·ken |
|---|
Vervoeging
| Aantonende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (ik) maak vast | (ik) maakte vast |
| (jij) maakt vast | (jij) maakte vast |
| (hij) maakt vast | (hij) maakte vast |
| (wij) maken vast | (wij) maakten vast |
| (jullie) maken vast | (jullie) maakten vast |
| (gij) maakt vast | (gij) maaktet vast |
| (zij) maken vast | (zij) maakten vast |
| Aanvoegende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (dat ik) vastmake | (dat ik) vastmaakte |
| (dat jij) vastmake | (dat jij) vastmaakte |
| (dat hij) vastmake | (dat hij) vastmaakte |
| (dat wij) vastmaken | (dat wij) vastmaakten |
| (dat jullie) vastmaken | (dat jullie) vastmaakten |
| (dat gij) vastmaket | (dat gij) vastmaaktet |
| (dat zij) vastmaken | (dat zij) vastmaakten |
| Gebiedende wys |
|---|
| Enkelvoud/Meervoud | Meervoud |
|---|
| maak vast | maakt vast |
| Deelwoorde |
|---|
| Teenwoordige deelwoord | Verlede deelwoord |
|---|
| vastmakend, vastmakende | (hebben) vastgemaakt |
Hij steeg weer af en liet het paard grazen, na het goed te hebben vastgemaakt.
Hij ging zitten en deed alsof hij zijn schoen vastmaakte.