Informasie oor die woord afbinden (Nederlands → Esperanto: ligfermi)

Sinoniem: toebinden

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɑvbɪndə(n)/
Afbrekingaf·bin·den

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) bind af(ik) bond af
(jij) bindt af(jij) bond af
(hij) bindt af(hij) bond af
(wij) binden af(wij) bonden af
(jullie) binden af(jullie) bonden af
(gij) bindt af(gij) bondt af
(zij) binden af(zij) bonden af
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) afbinde(dat ik) afbonde
(dat jij) afbinde(dat jij) afbonde
(dat hij) afbinde(dat hij) afbonde
(dat wij) afbinden(dat wij) afbonden
(dat jullie) afbinden(dat jullie) afbonden
(dat gij) afbindet(dat gij) afbondet
(dat zij) afbinden(dat zij) afbonden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bind afbindt af
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
afbindend, afbindende(hebben) afgebonden

Voorbeelde van gebruik

Zijn afgehakte arm was afgebonden om de bloeding tot staan te brengen, maar de gapende wond in zijn zijde was op zich al dodelijk.

Vertalinge

Engelsligature; tie; tie up
Esperantoligfermi