Informasie oor die woord commanderen (Nederlands → Esperanto: komandi)

Sinonieme: aanvoeren, bevelen, het bevel voeren

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/kɔmɑnˈdeːrə(n)/
Afbrekingcom·man·de·ren

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) commandeer(ik) commandeerde
(jij) commandeert(jij) commandeerde
(hij) commandeert(hij) commandeerde
(wij) commanderen(wij) commandeerden
(jullie) commanderen(jullie) commandeerden
(gij) commandeert(gij) commandeerdet
(zij) commanderen(zij) commandeerden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) commandere(dat ik) commandeerde
(dat jij) commandere(dat jij) commandeerde
(dat hij) commandere(dat hij) commandeerde
(dat wij) commanderen(dat wij) commandeerden
(dat jullie) commanderen(dat jullie) commandeerden
(dat gij) commanderet(dat gij) commandeerdet
(dat zij) commanderen(dat zij) commandeerden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
commandeercommandeert
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
commanderend, commanderende(hebben) gecommandeerd

Voorbeelde van gebruik

Maar wij laten ons door jullie opperhoofd niet commanderen.
Takagi had de Japanse strijdmacht gecommandeerd tijdens dit gevecht.

Vertalinge

Afrikaansaanvoer
Albanieskomandoj
Duitsbefehlen; befehligen; gebieten; kommandieren; das Kommando haben über; steuern; beherrschen; in der Gewalt haben; Herr sein über
Engelsbe in command; command
Esperantokomandi
Friesbefelje
Katalaanscomandar
Papiamentskomandá; manda
Roemeenscomanda; conduce
Saterfriesbefeele; gebjoode; kommandierje
Spaansacaudillar; mandar
Sranangi orda; komanderi
Sweedsbefalla; kommendera