Informasie oor die woord uitvinden (Nederlands → Esperanto: inventi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈœʏ̯tfɪndə(n)/
Afbrekinguit·vin·den

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) vind uit(ik) vond uit
(jij) vindt uit(jij) vond uit
(hij) vindt uit(hij) vond uit
(wij) vinden uit(wij) vonden uit
(jullie) vinden uit(jullie) vonden uit
(gij) vindt uit(gij) vondt uit
(zij) vinden uit(zij) vonden uit
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) uitvinde(dat ik) uitvonde
(dat jij) uitvinde(dat jij) uitvonde
(dat hij) uitvinde(dat hij) uitvonde
(dat wij) uitvinden(dat wij) uitvonden
(dat jullie) uitvinden(dat jullie) uitvonden
(dat gij) uitvindet(dat gij) uitvondet
(dat zij) uitvinden(dat zij) uitvonden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
vind uitvindt uit
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
uitvindend, uitvindende(hebben) uitgevonden

Vertalinge

Deensopfinde
Duitserfinden; ersinnen; erdichten; aushecken
Engelsinvent
Esperantoinventi
Faroëesfinna upp
Fransinventer
Italiaansinventare
Katalaansinventar
Papiamentsinventá
Portugeesinventar
Roemeensinventa
Spaansinventar