Informasie oor die woord zich schamen (Nederlands → Esperanto: honti)

Sinoniem: beschaamd staan

Woordsoortwederkerende werkwoord
Uitspraak/zɪxˈsxamə(n)/
Afbrekingzich scha·men

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) schaam mij(ik) schaamde mij
(jij) schaamt je(jij) schaamde je
(hij) schaamt zich(hij) schaamde zich
(wij) schamen ons(wij) schaamden ons
(jullie) schamen ons(jullie) schaamden ons
(gij) schaamt u(gij) schaamdet u
(zij) schamen zich(zij) schaamden zich
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) mij schame(dat ik) mij schaamde
(dat jij) je schame(dat jij) je schaamde
(dat hij) zich schame(dat hij) zich schaamde
(dat wij) ons schamen(dat wij) ons schaamden
(dat jullie) ons schamen(dat jullie) ons schaamden
(dat gij) u schamet(dat gij) u schaamdet
(dat zij) zich schamen(dat zij) zich schaamden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schaam jeschaamt je
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
zich schamend, zich schamende(hebben) zich geschaamd

Voorbeelde van gebruik

Ik heb niets waarover ik me hoef te schamen.
Je moest je schamen!
Ik schaam me dood!
Schamen jullie je niet?
Ik schaam mij te moeten toegeven dat ik, toen de slang tot leven kwam, ben gevlucht met de rest.
Je bevindt je anders niet in gezelschap waarvoor je je zou moeten schamen.